Tunnelvisie

door Jan van Gorkum

 

De Lichthaven was een psychiatrische instelling met een beruchte reputatie. Dat kwam niet in de laatste plaats door de locatie. Het lag in het zuiden van Limburg, gevestigd in een voormalig klooster dat in een bosrijke omgeving lag. Het had een lange oprijlaan, met een groot hek om het terrein heen. De plaatselijke bevolking had niet meer nodig dan die buitenkant om erop los te fantaseren over wat er voor gruwelijkheden plaatsvonden.

Er gingen al decennia geruchten de ronde over De Lichthaven. Omwonenden wisten de wildste verhalen te vertellen: dat er geëxperimenteerd werd op patiënten, dat er vroeger mensen waren ontsnapt die aan het moorden sloegen en dat het spookte in de omliggende bossen. Veel mensen durfden zich vanwege die verhalen niet in de buurt van de instelling te wagen. En al helemaal niet na zonsondergang.

Wie de roddels geloofde, kwam echter bedrogen uit wanneer hij een voet in de instelling zou zetten, want het was niet een instelling met criminele geesteszieken. Er zaten ook geen monsters die het resultaat waren van experimenten en er was nog nooit iemand ontsnapt. Wie er wel zaten, waren mensen van vlees en bloed, die de pech hadden om een ziekte te hebben in hun hoofd, die het functioneren in wat de rest van de wereld ‘een normale maatschappij’ noemde onmogelijk maakte. Ziektes waarvan men, net als het menselijk lichaam zelf, nog steeds maar bizar weinig af wist.

Van oudsher werden leden van rijke families weggestopt in De Lichthaven, zodat de families er geen last meer van hadden en net konden doen of hun geesteszieke naasten niet bestonden. Dat ging nog steeds zo, ook al beweerde iedereen dat ze hoopten dat hun familieleden weer snel terug konden keren in de maatschappij.

Aan de buitenkant zag De Lichthaven er indrukwekkend en mysterieus uit, maar vanbinnen was alles nieuw en strak ingericht. Er waren geen donkere gangen met afbladderende verf of knipperende tl-lichten. Alles was helder en warm uitgelicht. De gezamenlijke ruimtes waren huiselijk ingericht en de kamers van de patiënten waren comfortabel. Als je van rijke komaf was en geestelijk instabiel, dan zat je in De Lichthaven niet verkeerd.

Fons van Mierlo was een van de psychiaters die werkte bij De Lichthaven. Hij was begin zestig en werkte al bijna dertig jaar bij de instelling. Hij was vaker op zijn werk te vinden dan thuis, wat hem de bijnaam Patiënt F had opgeleverd. Dat hij ook niet meer dan nodig optrok met zijn collega’s droeg daar ook aan bij, net als zijn warrige verschijning: hij droeg altijd oude kleding en kamde nooit zijn haar. Het was dat hij een naamplaatje droeg met zijn naam en functie erop, want anders zou hij niet van de patiënten te onderscheiden zijn geweest.

Fons kon het echter weinig schelen wat zijn collega’s van hem dachten. Hij vond het contact met zijn patiënten belangrijker en die hadden nog nooit over zijn voorkomen geklaagd.

Zijn aandacht ging in het bijzonder uit naar één patiënt: Leon Hendriks, een veertigjarige man die onder de zware brandwonden zat. Leon had een posttraumatische stressstoornis, gecombineerd met schizofrenie. Een combinatie die vaker voorkwam. Leon zag dingen die er niet waren, had het gevoel dat hij constant in de gaten werd gehouden en had regelmatig last van heftige psychoses, waardoor hij een gevaar vormde voor zichzelf en anderen. Soms werd hij midden in de nacht wakker, badend in het zweet en gillend dat de wereld verging.

De ellende was voor Leon twee jaar terug begonnen, met een bizar ongeluk op zijn werk. Leon was werkzaam geweest als gids bij de grotten in de Sint Pietersberg in Maastricht. Op de dag die zijn leven voorgoed zou veranderen, had hij zijn laatste rondleiding al op tijd achter de rug. Daardoor had hij tijd om nog wat onderhoud te doen dat moest gebeuren. Een paar lampen op de route in de grot waren kapot en hij had zich voorgenomen om die te vervangen voor hij naar huis ging. Hij was net bezig om de lampen te vervangen, toen er plotseling een zware explosie plaatsvond, waardoor een deel van de grot instortte.

Volgens de autoriteiten was de explosie het gevolg van een opeenhoping van natuurlijke gassen die op de een of andere manier ontsnapt waren uit een lager gelegen gebied en vlam hadden gevat. Er werd geen bewijs gevonden dat het mogelijkerwijs ook om iets anders kon gaan, dus de verklaring werd snel geaccepteerd.

Iets wat niet geaccepteerd werd, was Leons versie van het verhaal. Hij werd na een dag zoeken gered uit de grot, zwaar verbrand en hysterisch pratend over iets levends dat diep in de grond zat, in een verborgen gangenstelsel. Iets groots, dat de explosie had veroorzaakt.

Toen een reddingswerker grappend zei dat Leon vast en zeker een draak had gezien en begon te lachen, was Leon door het lint gegaan en was hij de man naar de keel gevlogen, schreeuwend dat hij het zeker wist: er zat iets groots onder de grond dat vuur produceerde.

Het voorval leverde Leon een bezoek op aan een gespecialiseerd ziekenhuis, waar hij streng werd bewaakt terwijl men zijn brandwonden behandelde. Daarna volgde een enkele reis naar De Lichthaven. Leon was afkomstig uit een welvarende familie, met ouders die zich altijd hadden geschaamd dat hij niet iets belangrijks had gestudeerd en als een simpele gids werkte. En nu Leon was veranderd in een verwarde man, wilden ze hem maar wat graag uit de bewoonde wereld weg hebben, met zijn vreemde verhalen en woede-uitbarstingen.

Verschillende therapeuten probeerden Leon te helpen om zijn psychoses onder controle te krijgen. Medicatie hielp daarbij, maar ze probeerden Leon ook te overtuigen dat hij zich dingen had ingebeeld in de grot. Er waren geen monsters die explosies veroorzaakten of vuurspuwden. Leons wereldbeeld was volgens zijn therapeuten een tunnelvisie geworden, waar geen plek was voor de mogelijkheid dat hij het misschien bij het verkeerde eind had. Die boodschap werd iedere keer overgebracht, van subtiel tot theatraal, maar iedere keer werd Leon woest als ze suggereerden dat hij zich het wezen onder de grond had ingebeeld. Zelfs medicijnen konden zijn woede op die momenten niet onderdrukken. Het enige wat dan hielp, was hem platspuiten met een hoge dosis van een verdovend middel.

Leon werd na een paar maanden therapie als een hopeloos geval beschouwd, iemand die zelfs met begeleiding niet normaal zou kunnen leven in de buitenwereld. Hij had de verzorging en muren van De Lichthaven nodig.

Fons wilde echter Leon blijven observeren en probeerde steeds vaker mee te gaan in zijn verhaal. Fons kon zich nog een sessie herinneren waarbij Leon na een woede-uitbarsting plotseling akelig kalm was geworden, toen Fons meeging in zijn verhaal. En voor een kort moment, sprak Leon voor het eerst in lange tijd weer helder.

‘We kijken de verkeerde kant op,’ had hij toen gezegd. ‘Dat hebben we altijd al gedaan en jullie zijn te dom om dat te beseffen.’

Daarna begon hij luidkeels te lachen en zijn gepraat verviel weer in onsamenhangende kreten over het einde van de wereld.

‘We kijken de verkeerde kant op’ was een uitspraak die bleef hangen. Wanneer iets hem niet beviel, of als hij tegen werd gesproken, schreeuwde Leon deze zin. Fons had Leon ook regelmatig betrapt terwijl hij het zinnetje in zichzelf stond te mompelen op de gang of in de eetzaal.

Meerdere keren had Fons geprobeerd om te achterhalen wat Leon precies bedoelde met de verkeerde kant opkijken, maar Leon gaf daar nooit antwoord op. Hij keek Fons dan alleen maar aan met een verslagen blik, iets wat er door zijn verbrande gezicht dramatisch uitzag, en herhaalde vervolgens wat hij al eerder zei: dat we de verkeerde kant opkeken.

Er brak uiteindelijk een dag aan, waarop Fons antwoord kreeg. De wereld was toen al weken in de ban van vreemde natuurverschijnselen, die steeds vaker de kop opstaken en veel schade veroorzaakten. In Nederland was het ook raak geweest: een deel van een winkelcentrum was op klaarlichte dag in een zinkgat verdwenen. Er werd al dagenlang met man en macht naar overlevenden gezocht, maar de kans dat ze nog iemand levend zouden vinden, was klein. Iedereen, zowel patiënten als personeel, had al een week lang vol verbijstering gekeken naar de nieuwsbeelden, maar Leon was als enige kalm gebleven. Alsof het hem niet verbaasde wat er allemaal op tv gebeurde.

Fons zat op de avond dat hij antwoord kreeg samen met Leon aan een tafel in de eetzaal. Leon was de laatste weken rustiger geworden en mocht daardoor wat vaker van zijn kamer af. Eten in de eetzaal was een van de privileges die hij verdiend had en Fons vergezelde hem altijd tijdens het avondeten. Op de tv in de eetzaal was de zoveelste nieuwsupdate over het zinkgat te zien, wederom zonder nieuwe informatie. Leon zat rustig te eten, terwijl Fons naast hem geen hap door zijn keel kreeg en naar het nieuws keek, waar helikopterbeelden getoond werden van het enorme zinkgat en de ravage eromheen.

Al weken sliep Fons slecht door wat er in de wereld gebeurde. De ellende werd met de dag erger en het voelde aan alsof het aan het opbouwen was. Alsof de natuurrampen slechts een voorbode waren. Een voorbode voor iets dat nog groter en ingrijpender was.

Ondanks dat de wereld op de rand van een afgrond leek te balanceren, was er iets anders dat Fons nog zorgelijker vond. Een ‘wat als’ vraag die hem niet meer losliet nadat hij hem op een nacht hardop aan zichzelf had gesteld, terwijl hij vanuit zijn bed omhoog staarde naar het plafond. Een vraag die hem misselijk maakte: wat als Leon al die tijd de waarheid had gesproken? Wat als ze een getraumatiseerde man gek hadden gemaakt door hem niet te geloven?

Wat Fons ook probeerde, hij kon geen enkel antwoord bedenken dat hem geruststelde. Rationeel gezien wist Fons dat Leon alle schijn tegen zich had, want er was nooit bewijs gevonden die zijn beweringen over een levend monster had ondersteund. Fons zijn instinct was het aanvankelijk daarmee eens geweest, maar door de gebeurtenissen van de afgelopen weken was zijn onderbuikgevoel veranderd. Ineens leken grote, levende dingen in de grond niet zo heel vergezocht meer. Het klonk rationeel gezien nog steeds idioot, maar het voelde niet langer aan als iets wat onmogelijk was.

Een luchtalarm dat afging, deed Fons plotseling opschrikken uit zijn gedachten. Het duurde even voor hij besefte dat hij nog steeds in de eetzaal zat, naast Leon. Het was donkerder geworden buiten en het avondeten was opgeruimd. Fons kon zich niet herinneren dat hij zijn dienblad met avondeten – onaangeraakt – had weggebracht.

Voetstappen waren te horen en Fons merkte nu pas dat er iets goed mis was: overal rende personeel in paniek rond. Men was bezig om iedereen naar de kelder te verhuizen.

Een collega riep dat Fons als de sodemieter mee moest komen, maar toen Fons een blik wierp op de tv in de eetzaal, verdween al het geluid naar de achtergrond en werd het troebel. Zelfs het luchtalarm dat buiten tekeerging werd achtergrondruis.

Op tv waren livebeelden te zien van het zinkgat. En het was dit keer niet het zinkgat dat alle aandacht opeiste, maar de enorme beesten die eruit vlogen en alles om zich heen in brand staken. Ze waren gigantisch en bewogen ongelooflijk soepel en snel voor hun omvang. Een tafereel uit een nachtmerrie.

Fons liep op de tv af en bleef met open mond naar de beelden kijken. Hij voelde zich duizelig en misselijk worden, terwijl hij keek naar de eindeloze stroom beesten die uit het zinkgat stroomde en de lucht begon te verduisteren.

‘We kijken de verkeerde kant op,’ zei een stem naast Fons en hij zag dat het Leon was, die naast hem was komen staan.

Starend naar de gruwelijke beelden op tv, besefte Fons eindelijk wat Leon al die tijd bedoelde met de verkeerde kant opkijken. Het antwoord was kinderlijk eenvoudig.

‘We hebben altijd de lucht in gekeken,’ zei Fons, ‘maar we hadden omlaag moeten kijken. De grond in.’

Leon keek Fons aan en een mondhoek ging iets omhoog.

Je hebt het eindelijk door, leek die blik te zeggen.

Een tweede luchtalarm voegde zich ondertussen bij het eerste.

‘We hebben de verkeerde kant opgekeken,’ hoorde Fons zichzelf hardop zeggen en voelde een rilling over zijn rug gaan.

 

© Jan van Gorkum (2018)