Sluitingstijd

door Jan van Gorkum

Harry’s was een klein en oud wegrestaurant aan de oostkust van Schotland. De naam stond in cursieve, rode neonletters op de gevel van het gebouw. De keuken was er redelijk en het personeel deed zijn best, maar het had verder niets speciaals. En ook geen eigenaar die Harry heette. Gewoon een doorsnee eettentje waar truckers en toeristen stopten om een hapje te eten.

De locatie, met uitzicht op de Noordzee, klonk veelbelovend, maar was het niet: het weer was driekwart van het jaar bijzonder onstuimig. Dichte regen en mist vormden het gebruikelijke uitzicht. Niet echt iets om over naar huis te schrijven.

Het restaurant lag ook in een vrij afgelegen gebied. Het dichtstbijzijnde teken van beschaving, in de vorm van het dorpje Finneganshire, lag zo’n twaalf kilometer ten zuiden van Harry’s. Richting het noorden duurde het nog langer eer je een teken van de bewoonde wereld zag. Wie in alle rust een hapje wilde eten, was bij Harry’s aan het goede adres.

De serveerster die dienst had op de laatste dag dat het restaurant open zou zijn, was de dertigjarige Sally Graham, afkomstig uit Finneganshire. Ze zat met een kater achter het stuur van haar Renault 4, een oud barrel dat meer roestte dan kilometers maakte. De avond ervoor had Sally een feestje gehad bij vrienden en dat was later geworden dan de bedoeling was. Met als gevolg dat ze door haar wekker had heen geslapen. Ze had zich in alle haast aangekleed toen ze wakker schrok, twee uur later dan de bedoeling was. Haar ontbijt dronk ze achter het stuur op: een drinkontbijt uit een flesje, dat nergens naar smaakte. Ze verlangde naar een kop verse koffie. Dat was het eerste wat ze zou pakken als ze Harry’s binnenstapte.

Sally reed langzamer dan gebruikelijk over de provinciale weg die richting Harry’s liep. De oorzaak was zwaar herfstweer. Het waaide flink en de regen viel als een dik en grijs gordijn omlaag. De regen kletterde hard op de voorruit van de Renault 4 en de oude ruitenwissers hadden de grootste moeite om het uitzicht helder te houden. De wissers maakten een stroef en kreunend geluid terwijl ze heen en weer zwiepten. Het slechte weer had waarschijnlijk wel een voordeel: er zouden nog geen gasten zijn bij Harry’s.

Iets wat inderdaad het geval bleek te zijn, toen Sally vijf minuten later haar auto parkeerde op het oude parkeerterrein van het restaurant. Alleen de auto van Jim en Eileen Darrow stond er, de eigenaars van Harry’s. Jim was de chef-kok en Eileen stond achter de kassa en hielp mee met de bediening.

Sally fatsoeneerde haar kleding, stapte uit haar auto en rende snel door de regen naar het restaurant, zich voorbereidend op een boze preek van het echtpaar Darrow.

In plaats van een uitbrander, gebeurde er niets toen Sally het restaurant binnenstapte en haar jas aan de kapstok hing. Jim en Eileen, allebei stevige vijftigers, zaten naast elkaar aan een tafel in het midden van het restaurant, met de rug naar de ingang toe. Ze draaiden zich niet om toen Sally binnenkwam en zeiden niets.

‘Sorry dat ik te laat ben,’ zei Sally terwijl ze achter de bar stapte.

Ze deed een schort om en liep vervolgens naar een industrieel koffiezetapparaat toe, een oud, Italiaans exemplaar. Het begon te sissen en te ratelen terwijl ze koffie voor zichzelf maakte.

Wachtend op de koffie, keek Sally weer even naar Jim en Eileen. Ze zag nu pas dat er iets mis was. De tafel waaraan ze zaten, lag vol met papieren en Jim en Eileen zaten er verslagen bij.

‘Wat is er?’ vroeg Sally.

Jim ging met zijn handen door zijn haar en zuchtte. Hij opende zijn mond om iets te zeggen, maar sloot hem weer. Eileen schudde haar hoofd en bleef naar de brieven staren.

Sally stapte achter de bar vandaan en ging tegenover het echtpaar aan tafel zitten. De tafel was bezaaid met rekeningen en aanmaningen. Het duurde een moment voor Jim de moed had verzameld om Sally aan te kijken, die al aanvoelde wat hij zou gaan zeggen.

‘Het is voorbij, Sal,’ zei Jim. ‘We moeten de tent opdoeken. We kunnen je tot het eind van de maand nog betalen. Hetzelfde geldt voor de rest van het personeel. En dan houdt het op.’

Sally keek beduusd naar de rekeningen op tafel en toen naar Jim en Eileen.

‘Ik wist wel dat het iets minder ging,’ zei ze, ‘maar zo erg…’

Jim veegde de tranen uit zijn ogen.

‘Het spijt me echt,’ zei hij. ‘Ik weet dat je het geld nodig hebt, maar ik… Ik…’

Jim kwam niet meer uit zijn woorden. Eileen troostte haar man en nam het over.

‘Het is echt voorbij,’ zei ze. ‘De bank wil geen extra geld aan ons lenen, dus we hebben geen andere opties meer. En de schulden zijn bovendien niet het enige probleem.’

Eileen ging door de berg papieren heen op tafel en viste er een brief uit van de gemeente.

‘Plannen voor een nieuwe weg,’ zei ze. ‘Met een grote boog om Harry’s heen.’

Sally las de brief met groeiende verbazing.

‘Ook zonder schulden zou het einde oefening zijn geweest,’ zei Jim.

‘Klootzakken,’ zei Sally terwijl ze de brief las.

‘Inderdaad, maar er valt niets tegen te doen,’ zei Eileen. ‘Je vindt vast wel een ander baantje. Daar heb ik alle vertrouwen in.’

‘En jullie dan?’ vroeg Sally.

Eileen zuchtte en keek naar de rekeningen.

‘Laten we het daar maar even niet over hebben,’ zei ze.

Het geluid van een auto die het parkeerterrein opreed klonk. Sally, Jim en Eileen keken naar buiten en zagen een oude BMW met een Duits kenteken uit de dichte regen verschijnen. De auto stopte en een echtpaar van in de zestig stapte uit. Ze droegen allebei een rode regenjas en een donkerbruine wandelbroek. Beige wandelschoenen met rode veters maakten het plaatje compleet.

‘De eerste gasten van de dag,’ zei Jim en pakte de stapel rekeningen van tafel. ‘We praten na het werk wel verder.’

Jim had de papieren net achter de bar gelegd, toen het Duitse echtpaar Harry’s binnenstapte. Jim toverde een brede glimlach op zijn gezicht tevoorschijn.

‘Goedemiddag,’ zei hij tegen het echtpaar. ‘Welkom bij Harry’s.’

De rest van de dag ging compleet aan Sally voorbij. Er kwamen na het Duitse echtpaar nog een aantal gasten, maar Sally kon ze aan het eind van de dag niet meer voor de geest halen. Ze had haar werk op de automatische piloot gedaan, terwijl haar gedachten alle kanten opvlogen. Dat resulteerde een paar keer in het verkeerd noteren van een bestelling, maar afgezien daarvan had ze zich redelijk staande weten te houden.

Rond negen uur ’s avonds, sluitingstijd, was Sally uitgeput. Niet van het werk, het was een normale werkdag geweest, maar van zichzelf. Ze had zich de hele dag zorgen lopen maken over het echtpaar Darrow en ook over haar eigen financiële situatie: die was ook niet bepaald rooskleurig en de banen lagen niet voor het oprapen. Ze was net gewend aan het vaste inkomen dat ze had en dat zou over een maand voorbij zijn.

Samen met Jim en Eileen zat Sally aan een tafeltje te eten, in een hoek waar een kleine televisie aan de muur hing. Een gebruikelijk tafereel, waarbij de dag kort werd doorgesproken. Maar deze avond zei niemand iets. Ze waren alle drie moe en keken naar het nieuws. Het ging over de zware regen die het land teisterde. Het had de hele dag geregend en veel plaatsen hadden last van ondergelopen wegen en kelders.

Sally staarde uit het raam naar het parkeerterrein, kijkend naar de regen die nog steeds met bakken uit de lucht viel. Ze begon net weg te dromen, toen een withete bliksemschicht plotseling alles verlichtte buiten. Het silhouet van een man werd kort zichtbaar, die op het parkeerterrein stond. Hij had een paraplu vast en leek recht naar Sally te kijken. Hij was slechts een fractie van een seconde zichtbaar en verdween toen weer in de duisternis van de avond. Een paars nabeeld danste kort voor Sally’s ogen. Geschrokken deinsde ze achteruit.

‘Verdomme!’ riep ze. ‘Er staat iemand buiten!’

Jim en Eileen keken verbaasd naar Sally en volgden haar blik. Ze zagen alleen maar regen en duisternis.

‘Weet je het zeker?’ vroeg Eileen. ‘Je ziet er moe uit.’

‘Ik ben moe, maar niet blind,’ zei Sally. ‘Er staat iemand buiten.’

Een rollend gedonder onderstreepte haar woorden.

Opnieuw weerlichtte het en dit keer zag iedereen het: een man met een paraplu stond in de regen op het parkeerterrein. Eileen slaakte een kort gilletje en Jim stond gelijk op en liep naar de ingang van het restaurant toe. Hij staarde even naar buiten, de duisternis in. Vervolgens ontgrendelde hij de ingang en legde zijn hand op de deurklink.

‘Ik zal eens vragen wat ie wil,’ zei Jim. ‘Misschien een verdwaalde toerist.’

‘Nee, niet doen,’ zei Sally.

‘Waarom niet?’ vroeg Jim.

‘Kijk je nooit enge films? Die beginnen altijd zo. Met iemand die ’s avonds komt opdagen in de regen, heel vriendelijk doet en dan iedereen in stukjes hakt.’

‘Sven doet geen vlieg kwaad,’ zei een mannenstem met een Deens accent plotseling. ‘Let maar niet op hem.’

Iedereen keek verbaasd achterom, naar de bar. Aan de bar stond een man van een jaar of veertig, met lichtbruin haar dat opgeknoopt was in een knotje. Hij had een rossige baard en droeg een vreemd pak dat weerbestendig was. Het was doorleefd en leek een combinatie te zijn van wat parachutisten en ouderwetse piloten droegen. Hij had ook een doorweekte paraplu bij zich, die op de vloer lekte.

‘De achterdeur stond open,’ zei hij toen hij de geschrokken blikken zag.

Jim deed de ingang weer op slot en ging voor zijn vrouw en Sally staan.

‘We zijn gesloten, meneer,’ zei hij. ‘Ik wil graag dat u uit mijn restaurant vertrekt.’

De man ging aan de bar zitten en pakte een menukaart.

‘Je hoeft geen u te zeggen,’ zei hij. ‘Mijn naam is Jesper Olafsen. En het spijt me dat ik zo laat nog kom binnenvallen, maar ik wil graag iets te eten bestellen. Ik heb gehoord dat de hamburgers hier erg goed zijn. Doe die maar eentje voor mij. Met een cola erbij.’

Jim begon op de man af te lopen.

‘Meneer Olafsen, we zijn gesloten,’ zei hij. ‘Als u weigert om weg te gaan, ben ik genoodzaakt om de politie te bellen en dan-’

‘De politie heeft vanavond wel andere dingen te doen,’ zei Jesper. ‘Iets met overstromingen die overal aan de gang zijn. Ik heb gehoord dat er een paar ondergelopen winkels zijn geplunderd hier in de buurt. Luister, ik heb geen zin in gedoe. Ik heb een lange dag achter de rug en ik heb honger. En ik ben geen dief. Ik betaal gewoon voor de maaltijd.’

Eileen kwam samen met Sally bij haar man staan.

‘Geef de man zijn hamburger, Jim,’ zei Eileen. ‘Als hij daarna maar weer vertrekt.’

‘Dat ben ik wel van plan, mevrouw,’ zei Jesper.

‘Hoeft uw vriend niets te eten?’ vroeg Eileen.

‘Nee,’ zei Jesper. ‘Sven heeft geen honger.’

Jim bekeek Jesper en zuchtte toen.

‘Goed dan,’ zei hij en keek naar Eileen en Sally. ‘Eileen, doe jij de achterdeur op slot? Sal, geef meneer Olafsen zijn cola. Dan bak ik een burger voor hem.’

Tien minuten later zat Jesper aan de bar zijn hamburger te eten, terwijl Sally en het echtpaar Darrow ongemakkelijk toekeken. Ze waren weer aan hun tafeltje bij de televisie gaan zitten.

‘Er is geen woord van gelogen,’ zei Jesper. ‘Een prima burger. Mijn complimenten.’

Op de televisie verscheen een nieuwsitem over een zinkgat dat was ontstaan in Nederland. Het was al dagen in het nieuws. Een week geleden was een deel van een winkelcentrum in een enorm zinkgat verdwenen. Ruim vierhonderd mensen waren omgekomen. Officieel werd er nog gesproken over vermisten, maar iedereen wist wel beter.

‘Wat een ellende toch overal,’ zei Eileen terwijl ze de beelden van het zinkgat zag.

‘Inderdaad,’ zei Jesper en at het laatste restje van zijn hamburger op. ‘Er gebeuren vreemde dingen in de wereld. Gruwelijke dingen.’

‘Zolang er voor bepaalde dingen maar gewoon betaald wordt, hoor je mij niet klagen,’ zei Jim.

Jesper grinnikte en veegde zijn mond af met een servetje. Hij haalde een leren zakje tevoorschijn uit een binnenzak en legde het op de bar.

‘Voor de maaltijd,’ zei hij. ‘En voor het restaurant. Ik koop het bij dezen.’

‘Pardon?’ vroeg Jim.

‘Je hoorde me wel,’ zei Jesper.

‘Jim, blijf rustig,’ zei Eileen toen ze de blik van haar man zag.

‘Nee, ik blijf niet rustig!’ zei Jim en stond op. ‘Ik heb het gehad met deze grapjas! Ik bel nu de politie en-’

Jesper wierp hem het leren zakje toe en het plofte voor Jim op tafel met een rinkelend geluid. Jim pakte het zakje van tafel, dat zwaar aanvoelde, en opende het. Het zat vol met gouden munten. Ze zagen er oud uit en het waren er veel.

‘Ik ben geen grapjas,’ zei Jesper. ‘En de inhoud van dat zakje lijkt me meer dan redelijk.’

Jim liet de inhoud aan Eileen en Sally zien.

‘Meer dan redelijk?’ zei Jim. ‘Dit is verdomme een fortuin. Als het echt is.’

‘Het is echt,’ zei Jesper en boog zich over de bar heen. Hij pakte een stapel rekeningen en hield ze omhoog. ‘Net zo echt als deze dingen.’

Eileen en Jim keken elkaar onzeker aan. Jim legde het zakje terug op tafel.

‘Klinkt iets te mooi om waar te zijn,’ zei hij. ‘Wat is het addertje onder het gras?’

‘Die is er niet,’ zei Jesper en hij liep op Jim af. Ondertussen haalde hij een opgevouwen document uit een binnenzak. ‘Ik heb hier een overeenkomst waarin staat dat je het restaurant aan mij overdraagt, voor het bedrag dat voor je op tafel ligt.’

Jesper overhandigde het document aan Jim, die het gelijk begon te lezen.

‘Mocht je de exacte waarde van de munten willen weten, het staat onderaan,’ zei Jesper.

Jims ogen werden groot en hij liet het document aan Eileen zien, die een hand voor haar mond sloeg toen ze het bedrag las.

‘Zoals je kunt lezen,’ zei Jesper, ‘zitten er geen addertjes onder het gras. Geen vreemde voorwaarden. Beschouw het als een beloning voor jaren hard werken. Het enige wat je hoeft te doen, is een krabbeltje onderaan zetten. En je schulden aflossen uiteraard, maar dat lijkt me geen probleem meer.’

Hij overhandigde een pen aan Jim. Jim pakte de pen aan en keek naar Eileen. Die barstte in tranen uit en knikte wild ja.

Sally had alles met groeiende verbazing aangezien. Ze boog zich richting Jim.

‘Weet je het zeker, Jim?’ vroeg ze. ‘Moet je er niet een nachtje over slapen?’

Jim draaide de pen rond in zijn hand en keek naar Eileen. Die knikte opnieuw.

‘Wat kan mij het ook schelen,’ zei Jim en ondertekende het document.

‘Fijn om zaken met jullie te doen,’ zei Jesper. ‘Ik wil niet opdringerig overkomen, maar ik stel het op prijs als jullie het restaurant zo spoedig mogelijk verlaten.’

Wat volgde, leek wel iets uit een droom voor Sally. Het echtpaar Darrow was door het dolle heen. Ze omhelsden elkaar en waren gillend van plezier uit het restaurant vertrokken met Sally. Buiten dansten ze een rondje in de regen, als een stel verliefde tieners, en ze gaven Sally twee gouden munten als afscheidscadeau. Vervolgens vertrokken ze met hun auto.

Sally bleef op het parkeerterrein achter met Sven, die nog steeds buiten stond. Nu ze naast hem stond, zag Sally dat hij dezelfde vreemde kleding droeg als Jesper.

‘Goede terugreis, mevrouw,’ zei Sven vanuit de schaduw van zijn paraplu.

Sally mompelde iets terug en liep naar haar Renault 4, terwijl ze keek naar de twee gouden munten in haar hand, die koud aanvoelden. Ze stopte de munten in haar jaszak, stapte in haar auto en vertrok.

Halverwege de terugrit moest Sally plotseling uitwijken voor twee grote verhuiswagens die de andere kant opgingen. Ze vloekte en keek naar de wagens die passeerden. Ze hadden een buitenlands kenteken: Deens. Nadat de verhuiswagens uit het zicht waren verdwenen, bleef Sally nog even met haar auto in de berm staan. Ze tikte met haar vingers op het stuur en keek naar de regen, terwijl de ruitenwissers stroef heen en weer zwiepten.

‘Nee,’ zei ze toen, draaide de auto om en reed terug richting Harry’s.

Een groep van tien verhuizers, allemaal sterke kerels, was druk bezig om de inboedel van Harry’s in de wagens te laden op het moment dat Sally terugkeerde. Ze kon nog net zien hoe het Italiaanse koffiezetapparaat werd ingeladen.

Haar aandacht werd echter vooral getrokken door Jesper. Die stond samen met Sven op het parkeerterrein in de stromende regen, met zijn paraplu in de hand. Sally stapte uit haar wagen en liep richting het tweetal. Ze bleef voor Jesper staan en hield een hand boven haar ogen, tegen de regen.

‘Ik had al een vermoeden dat je terug zou komen,’ zei Jesper.

‘Ik wil weten wat er hier aan de hand is,’ zei Sally.

‘Waarom wil je dat zo graag weten?’ vroeg Jesper.

‘Omdat ik hier drie jaar heb gewerkt. En ik maak me zorgen.’

‘Dat is nergens voor nodig. Ga naar huis alsjeblieft. Neem een warme douche en vergeet dit alles.’

Jesper haalde een leren zakje tevoorschijn en overhandigde het aan Sally.

‘Hier,’ zei hij. ‘Voor het ongemak. Doe er iets leuks mee.’

Sally wist niet goed wat ze moest doen of zeggen. Aan de ene kant had ze het geld dringend nodig, maar aan de andere kant voelde het niet goed wat hier allemaal gebeurde. En ze had een hekel aan types die dachten dat alles te koop was.

‘Ik vergeet dit niet,’ zei ze en stak haar hand uit met het leren zakje.

Jesper schudde zijn hoofd.

‘Wat ik weggeef, neem ik niet terug,’ zei hij. ‘Het is van jou nu.’

‘Waar gaan die spullen heen?’ vroeg Sally.

Jesper keek naar Sally’s naamkaartje, dat zichtbaar was in de opening van haar jas.

‘Het is al laat, Sally,’ zei hij. ‘En er zijn grenzen aan mijn geduld.’

Opeens besefte Sally dat het misschien niet zo’n slim idee was geweest om in haar eentje terug te keren naar het restaurant. Een jonge vrouw, omringd door sterke mannen uit Denemarken, die op een vreemd tijdstip bezig waren met een grote verhuizing.

Jesper leek echter niet een agressief type, wat Sally enigszins geruststelde. Hij zuchtte een keer diep en keek Sally onderzoekend aan.

‘Als ik je vertel waar de spullen heen gaan, beloof je dan dat je vertrekt?’ vroeg hij.

‘Ja,’ zei Sally. ‘Ik heb geen zin om de hele avond hier in de regen te blijven staan.’

‘Goed,’ zei Jesper. ‘De spullen gaan naar mijn werkgever. Een scharrelaar. Hij houdt slecht lopende zaken in de gaten en grijpt in wanneer hij iets tegenkomt dat hem interesseert. Hij heeft hier in het verleden ooit gegeten en wilde per se de inboedel hebben. Met name het koffiezetapparaat interesseert hem. Laat ik volstaan met te zeggen dat de inboedel van Harry’s een tweede leven krijgt. Ik wens je een prettige avond. En kom alsjeblieft niet meer terug.’

‘Hoe zijn jullie twee hier eigenlijk gekomen?’ vroeg Sally. ‘Ik zie geen auto.’

Jesper glimlachte.

‘Via het strand,’ zei hij. ‘Er ligt een Deens vrachtschip voor anker. De bemanning heeft ons met een motorboot aan land gebracht. Prettige avond.’

Sally knikte.

‘Prettige avond,’ herhaalde ze, meer tegen zichzelf zeggend dan tegen Jesper.

Ze stapte in haar auto en startte de motor. Ze keek door de voorruit naar Jesper, die het restaurant binnenliep met Sven.

‘Gelul,’ zei ze hardop tegen zichzelf en vertrok.

Maar Sally reed niet gelijk naar huis. Ze verliet na tweehonderd meter de provinciale weg en reed een oud zandpad op, dat door de bossen naar het strand liep: een rotsachtig strand vol met stenen en grote rotsen. Het was eigenlijk niets voor Sally om op avontuur te gaan in het donker, maar ze wilde haar vermoeden bevestigd zien: het vermoeden dat er helemaal geen vrachtschip voor anker lag. En dat moest ze met eigen ogen zien. Iets waar ze spijt van zou krijgen.

Tien minuten later verscheen de Renault 4 van Sally met hoge snelheid vanuit het zandpad. De auto slingerde de provinciale weg op en verdween met een rotgang richting Finneganshire.

Sally zat compleet in shock achter het stuur. Haar lichaam trilde en de tranen stroomden over haar wangen. Ze had gelijk gehad over het vrachtschip: dat was er inderdaad niet. Er was echter wel iets anders. Iets groots, dat omhoogkwam tussen de rotsen op het strand, op het moment dat Sally haar auto stilzette. Iets dat ervoor zorgde dat Sally nooit meer rustig zou slapen.

© Jan van Gorkum (2017)