Nieuwe Schoenen

door Jan van Gorkum

Cas had al een week niet meer kunnen slapen door wat hem was overkomen. Wat hij ook probeerde om zijn zinnen te verzetten, zowel overdag als ’s nachts, hij bleef het telkens weer voor zich zien. Zijn dagelijkse routine, het zoeken naar een uitgang, bood helaas ook niet voldoende afleiding. Waar hij getuige van was geweest, had hem zo verontrust, dat zijn lichaam al zeven dag lang in een continue staat van shock was.

Het was pure pech geweest wat Cas, nog geen twaalf jaar oud, was overkomen. Hij was op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats geweest. De plaats in kwestie was het winkelcentrum waar hij altijd kwam met zijn vrienden. Het lag op fietsafstand van zijn huis en hij was met zijn spaargeld op zak vertrokken om nieuwe sneakers uit te zoeken in de hippe (lees: dure) schoenenwinkel waar hij en zijn vrienden altijd kwamen. Het verkeerde tijdstip was in dit geval kwart over twee ’s middags geweest. Tot dat tijdstip was het een normale zaterdag geweest, met mensen die op hun gemak aan het winkelen waren en een warme herfstzon die hoog in de lucht stond.

Precies om kwart over twee veranderde de doorsnee zaterdag in een chaos die nooit meer vergeten zou worden. Een deel van het winkelcentrum verdween op dat moment in de aarde. En er was geen waarschuwing geweest die het onheil had aangekondigd. Geen schokken. Geen aardbeving. Niets. Het ene moment was het winkelcentrum nog compleet, het volgende moment zakte een deel van het winkelcentrum plotseling de grond in, alsof iemand de hendel van een gigantisch valluik had overgehaald. Met een verbijsterend tempo en een oorverdovend kabaal stortte een gedeelte met zo’n tien winkelpanden omlaag, samen met ruim vierhonderd mensen, die nooit meer werden teruggevonden. Alles en iedereen verdween in een enorm zinkgat, in de diepten van de aarde.

De dagen na het bizarre ongeluk, verliepen volgens het gebruikelijke patroon dat volgde na een dergelijke ramp: de eerste dagen werd er dag en nacht gewerkt om overlevenden onder het puin vandaan te halen. Helaas begon dat gelijk moeilijk: de eerste resten van puin werden pas op een diepte van bijna tweehonderd meter aangetroffen. Dat maakte de werkzaamheden bijzonder moeizaam en ook was er gevaar voor instorting van de aangrenzende gebouwen. Alles in een straal van een kilometer was ontruimd. Een ongekende ontruiming die de stad veel geld kostte. Na vijf dagen werd de hoop opgegeven dat ze nog iemand levend onder het puin vandaan zouden halen. Op dag zes was er een stille tocht voor de slachtoffers, inclusief de verplichte kaarsjes en knuffels die op een symbolische plek aan de rand van het afgesloten gebied werden neergelegd. Op dag zeven volgde de eerste rechtszaak van een nabestaande die de gemeente verantwoordelijk hield voor wat er was gebeurd.

En terwijl al die dingen boven de grond gebeurden, zat Cas onder de grond, gevangen in een ondergrondse ruimte, ingesloten door puin van de winkelpanden. Schoenendozen en T-shirts lagen verspreid over de grond, samen met honderden mobiele telefoons en bijbehorende accessoires. Naast de schoenenwinkel had een telecomwinkel gezeten en de complete inboedel was tijdens het instorten samengevoegd met die van de schoenenwinkel. Cas had geen bereik op de plek waar hij nu zat, maar hij gebruikte de zaklampfunctie van de mobieltjes ter verlichting van de ruimte.

Het was een klein wonder dat Cas nog in leven was, maar hij was niet zonder kleerscheuren aan de ramp ontsnapt. Hij zag er flink gehavend uit: hij zat onder de paarsblauwe kneuzingen en vlekken opgedroogd bloed. Hij had een T-shirt, dat hij had gevonden, in repen gescheurd en om zijn linkerarm gebonden, die hij had opengehaald aan glasscherven. Afgezien van die dingen, en een flinke koppijn die zo nu en dan van zich liet horen, had hij het er goed vanaf gebracht.

Wat betreft eten en drinken had Cas ook geluk gehad: hij deelde de ruimte met een kapotte snoep- en frisdrankautomaat. Een lomp exemplaar dat uit de jaren tachtig stamde. Het ding had Cas bijna verpletterd tijdens het instorten van de panden en daarna had de inhoud hem in leven gehouden.

Cas had vanaf de eerste dag geprobeerd om een uitgang te vinden en was de afgelopen vier dagen bezig geweest met het uitgraven van de muur van puin die hem omringde. Hij had zich gefocust op het stuk naast de snoep- en frisdrankautomaat. Vier dagen terug had hij daar ergens iets van licht gezien tussen het puin door. Hij was toen als een bezetene gaan graven. Hij kon de grote stukken puin niet verplaatsen, maar de kleinere brokken kreeg hij wel van hun plaats. Het was echter onbegonnen werk: er leek geen eind aan het puin te komen. Cas kreeg steeds meer het idee dat hij het zich had ingebeeld. Hij zat diep onder de grond. En daar was geen licht.

Misschien was hij gek aan het worden. Dat scheen vaker voor te komen bij mensen die ergens opgesloten zaten onder de grond. Cas had ooit een oude film gezien waarin een kerel opgesloten zat in een grafkist en levend werd begraven. Terwijl de zuurstof in de kist steeds schaarser werd, begon die kerel allerlei vreemde dingen te zien. Dingen die er niet waren.

‘Je bent aan het trippen,’ zou zijn beste vriend Luuk hebben gezegd als hij hier was.

Maar Luuk was er niet. Die was samen met de andere vrienden van Cas verpletterd toen de hippe (maar dure) schoenenwinkel instortte. Cas had het gelukkig niet gezien, het gebeurde allemaal snel, maar hij had het wel gehoord. Geschreeuw van zijn vrienden dat ruw werd afgekapt door vallende stukken beton. Het had een gruwelijk geluid gemaakt. Alsof een reus zijn kaken dichtklemde en luid knarste.

Cas had net zijn zevende avondmaal, een chocoladereep en een blikje cola, naar binnen gewerkt, toen hij het geluid voor het eerste hoorde. Het klonk zacht en ver weg, maar hij herkende het gelijk: het was een man die iets riep. Het was het eerste teken van leven dat hij in zeven dagen had gehoord. Hij stond op en wilde net iets terugroepen, toen hij hoorde dat de man aan het vloeken was. Het gevloek had iets rauws en dierlijks. Het was ook in een taal die Cas niet kende. Cas besloot om stil te blijven. Het was waarschijnlijk niet slim om zijn positie weg te geven aan iemand die zo tekeerging.

Op het moment dat Cas voorzichtig achteruit begon te lopen, weg van de plek waarachter de man was te horen, volgde er een zware klap die de grond deed beven. Cas viel achterover en plofte ruw op de grond. Even dacht Cas dat het een aardbeving was, maar het hield niet aan. Het was slechts een korte klap. Er klonk nog even het geritsel van vallend zand, dat uit gaten in het plafond sijpelde, en toen werd het weer stil.

De man aan de andere kant van het puin was ondertussen dichterbij gekomen en vloekte nog steeds. Een tweede geluid voegde zich bij het gevloek: gerommel. Het werd snel herkenbaar: iets was stukken puin aan het verplaatsen.

Cas krabbelde net overeind toen de muur van puin met een luid kabaal werd opengebroken. Een groot gat verscheen in de muur en een wolk van stof en zand waaide op. Het silhouet van iets groots verscheen in de opening. Cas voelde dat er hitte vanaf kwam.

Een enorm, reptielachtig wezen stapte vervolgens op zijn gemak door het gat in de muur heen. Het beest was twee meter hoog en ruim zeven meter lang. Het had een ziekelijk witte kleur, amberkleurige ogen en kromme hoorns op zijn hoofd. Er kwam een smerige lucht van het beest af, die Cas deed kokhalzen: een combinatie van rottend vlees en zwavel.

Het beest snoof aan de snoep- en frisdrankautomaat en probeerde met een voorpoot iets uit de automaat te pakken, wat niet lukte. Cas zag nu pas dat er twee vreemde uitsteeksels aan de zijkanten van het dier zaten. Het duurde even voor hij doorhad wat het waren: opgevouwen vleugels.

‘Draak,’ zei Cas en begon toen te lachen.

Met een ruk draaide de draak zijn kop richting Cas. Hij spreidde zijn vleugels en liet een laag gegrom horen. Cas zag de lucht boven de draak trillen door de hitte die het beest produceerde. De draak opende zijn kaken en een witheet licht verscheen achter in zijn keel, dat langzaam steeds feller werd.

‘Dit gebeurt niet echt,’ zei Cas hardop tegen zichzelf. ‘Ik ben aan het trippen.’

Plotseling doofde het licht tussen de kaken van het beest. De draak slaakte een huiveringwekkende kreet en zakte in elkaar op de grond. Hij maakte nog een paar stuiptrekkingen en bewoog toen niet meer. Achter de draak werd het silhouet van een man zichtbaar.

‘U bent niet aan het trippen, jongeman,’ zei de man. ‘Wat dat ook moge zijn.’

De man liep richting de draak en trok een oud zwaard uit de rug van het dier. Hij stopte het zwaard terug in de schede die aan zijn riem bevestigd zat. Vervolgens stapte hij in een bundel licht, afkomstig van de mobiele telefoontjes die Cas gebruikte om de ruimte te verlichten. Het was een magere, oude man met een grijze baard. Hij was zo goed als kaal. Alleen aan de zijkanten van zijn hoofd had hij nog wat slierten lang haar. Hij droeg versleten kleding met een oude stofjas eroverheen.

‘Dus dat beest is echt?’ vroeg Cas aan de man terwijl hij voorzichtig bij de draak kwam staan. Hij stak zijn hand uit richting de draak en voelde dat de hitte nog sterk was.

‘Echter dan dit wordt het niet,’ antwoordde de man. ‘Wel groter, want dit is een jong exemplaar.’

‘Ik hoorde je schreeuwen net. Wat voor taal was dat?’

De man keek verbaasd naar Cas.

‘Hoorde u dat? Mijn excuses,’ zei hij. ‘Wat u hoorde was… creatief taalgebruik. In de Oude Taal. Ik was aan het jagen op dit beest en zijn kornuiten. Hij was de laatste die nog in leven was van het stel.’

De man keek naar de rommel die achter Cas op de grond lag.

‘Zijn dat schoenendozen die daar liggen?’ vroeg hij.

‘Ja.’

‘Mooi. Ik ben dringend toe aan nieuw schoeisel.’

De man liep langs Cas richting de schoenendozen die overal op de grond lagen. Hij zocht dozen uit waar zijn maat op stond en gooide die allemaal op een hoop. Vervolgens begon hij de dozen te inspecteren, zoekend naar iets dat hem geschikt leek. Cas zag het allemaal in stilte aan en verdeelde zijn aandacht tussen de man en de dode draak, die iedere keer dat Cas hem aanraakte iets koeler aanvoelde. De man leek niet snel schoenen te vinden die hem bevielen. Hij pakte doos na doos, bromde telkens iets en smeet de doos dan weer weg.

‘Wat brengt u trouwens hier, jongeman?’ vroeg de man terwijl hij bezig was. ‘Wist u niet dat het hier gevaarlijk is?’

‘Er was een ongeluk,’ zei Cas. ‘Ik was met vrienden in de stad, toen plotseling alles instortte. Ik ben denk ik de enige die het heeft overleefd.’

De man hield op met zoeken en draaide zich om naar Cas.

‘O,’ zei de man. ‘Dat is Ouro’s schuld. Hij graaft altijd tunnels en dat loopt weleens uit de hand. Een groepje draken, waaronder deze hier, viel hem lastig en toen sloeg hij op hol. Maar hij zit inmiddels weer in zijn vaste leefgebied en ik heb zojuist de laatste van de onruststokers gedood. Dus niets aan de hand.’

‘Niets aan de hand? Al mijn vrienden zijn dood.’

De man haalde zijn schouders op en pakte een nieuwe schoenendoos.

‘Dat is niet mijn schuld,’ zei hij. ‘En niet huilen, als u zo vriendelijk wilt zijn. Huilen doet u ’s avonds maar in bed, daar hoeft u mij niet mee lastig te vallen.’

De man zag de blik op Cas zijn gezicht en kreeg gelijk spijt van zijn opmerking.

‘Luister,’ zei hij, ‘ik ben al zeven dagen op jacht. Dat maakt me een beetje… kortaf.’

‘Een beetje?’

De man antwoordde niet. Hij had een schoenendoos geopend en staarde naar een paar zwarte All Stars. Hij pakte een schoen uit de doos en draaide hem langzaam rond. Vervolgens ging hij in kleermakerszit op de grond zitten, tussen de andere schoenendozen. Hij trok zijn oude schoenen, afgetrapte legerkisten, uit en paste de gympen. Hij stond op, bekeek de schoenen en liep een rondje.

‘Deze worden het,’ zei hij toen.

Cas liep ondertussen naar de opening in het puin. De stofwolk was opgeklaard en een enorme ondergrondse grot was zichtbaar geworden aan de andere kant. En er brandde inderdaad licht: op verschillende plekken hingen fakkels aan de wanden van de grot.

Geritsel trok Cas zijn aandacht en hij draaide zich om. Hij zag dat de man de snoep- en frisdrankautomaat aan het plunderen was. De man had een draagtas bij zich die hij vol aan het proppen was. Cas liep terug en ging tegenover de man staan.

‘Dat eten is van mij,’ zei hij. ‘Hetzelfde geldt voor de schoenen.’

De man grijnsde en zette zijn handen in zijn zij.

‘Is dat zo, jongeman?’ vroeg hij.

Cas knikte.

‘Je mag het hebben,’ zei hij, ‘als je mij de weg naar boven laat zien.’

‘Ik kan ook gewoon weglopen met alle spullen,’ zei de man. ‘En u hier achterlaten met uw nieuwe dode vriend.’

‘Prima, dan zoek ik zelf wel de weg terug,’ zei Cas en liep weg.

Hij had nog geen tien stappen gezet, of een hagedisachtig wezen, ter grootte van een kat, sprong achter een rotsblok vandaan. Het had grote tanden en klauwen en zijn lichaam was bedekt met kleine hoorns. Een sissend geluid ontsnapte uit de keel van het beestje.

‘Geen onverwachte bewegingen maken,’ zei de man terwijl hij naast Cas kwam staan.

Cas negeerde de opmerking. Hij nam een aanloop en schopte het reptiel de lucht in. Het beestje vloog krijsend door de lucht en smakte vervolgens tegen een rotsblok aan.

Cas draaide zich om naar de man.

‘Ik heb zeven dagen opgesloten gezeten,’ zei hij. ‘En vervolgens komt er een lompe oude kerel op bezoek. Dat heeft me ook een beetje kortaf gemaakt.’

De man grijnsde.

‘Ik zal u de weg naar de Bovenwereld laten zien,’ zei hij. ‘Hoe sneller u hier weg bent, hoe gezelliger het hier weer wordt. Volgt u mij maar.’

Na een tocht van een uur door een smalle tunnel die omhoog kronkelde, botste de man plotseling tegen iets aan. Hij vloekte in de Oude Taal en wreef over zijn voorhoofd.

‘Wat was dat?’ vroeg Cas, die het zag gebeuren.

‘Verder dan dit punt kan ik niet,’ zei de man. ‘Het laatste stuk zult u alleen moeten afleggen. Nog een minuut of tien lopen, schat ik.’

Cas stak zijn handen voor zich uit en nam een paar stappen, denkend dat hij ook ergens tegenaan zou botsen. Er gebeurde echter niets. Hij draaide zich om naar de man en keek hem verbaasd aan.

‘Wat gebeurde er net?’ vroeg Cas.

‘Lang verhaal,’ zei de man. ‘Daar ga ik u niet mee lastig vallen.’

‘Oké… Bedankt voor de hulp,’ zei Cas. ‘Veel plezier met je nieuwe schoenen.’

‘Dank u. En blijf voortaan hier weg.’

De man draaide zich om en verdween.

Cas keek hem nog even na en begon toen aan het laatste stuk van zijn tocht naar boven. Nog geen tien minuten later was hij weer boven de grond, precies zoals de man hem had verteld. Hij was ergens aan de rand van de stad uit een oud rioolstelsel gekomen en keek uit over de stad, die er rustig bijlag in de vroege ochtend. Het was fris en er hingen lage mistbanken in de buurt van de stad, die zich traag voortbewogen.

Terwijl Cas richting de stad begon te lopen, besefte hij dat hij vergeten was om zelf nieuwe schoenen uit te zoeken. Iets waar hij in eerste instantie voor op pad was gegaan. Hij had bijna een week tussen de nieuwste exemplaren gebivakkeerd en het was geen moment bij hem opgekomen om zelf schoenen te claimen. Hij vloekte tegen zichzelf, schudde zijn hoofd en verdween in de mist.

© Jan van Gorkum (2017)