Een kist vol rommel

door Jan van Gorkum

 

Niels Fass was iemand die oude en dode dingen interessant vond. Een macabere interesse, die terugging tot zijn jeugd. Het was begonnen toen hij als zevenjarige stiekem The Mummy op televisie zag, de klassieker uit 1932 met Boris Karloff in de hoofdrol. Niels had er nachtmerries van gekregen, maar tegelijkertijd was hij gefascineerd geweest door de mensen die de opgraving deden in de film. Het leek hem geweldig om zelf dingen te gaan opgraven in exotische landen en hij wist het gelijk zeker: later zou hij archeoloog worden.

Zijn eerste stap in de wereld van de archeologie was geen succes. Een week nadat hij The Mummy had gezien, had hij zijn complete achtertuin omgespit, tot grote ergernis van zijn ouders, die niet bepaald blij waren met de nieuwe hobby van hun zoon en zijn voornemen om er zijn beroep van te maken.

De familie Fass was van rijke komaf en Niels zijn ouders, Arthur en Heleen, werkten allebei als arts in een gerenommeerd ziekenhuis. Het was voor hen vanzelfsprekend dat Niels in hun voetsporen zou gaan treden. Dat ging al generaties zo en met die traditie waren ze niet van plan om te breken.

Arthur en Heleen dachten aanvankelijk dat de nieuwe hobby van hun zoon een bevlieging was, iets wat wel weer over zou waaien, maar toen dat na vier jaar nog niet was gebeurd, had Arthur zijn zoon apart genomen in zijn kantoor voor een serieus gesprek, als mannen onder elkaar.

‘Levens redden is belangrijker dan in het zand spelen en zoeken naar dode dingen,’ had Arthur gezegd aan het eind van zijn preek. Net als zijn eigen vader, was Arthur Fass naast arts ook een expert in het vernietigen van kinderdromen.

Om er zeker van te zijn dat Niels op het pad bleef dat zijn ouders voor hem hadden uitgestippeld, werd hij gedumpt bij een dure kostschool in het zuiden van Limburg, waar het stikte van de rijke jongens en meisjes die in de voetsporen van hun ouders moesten treden.

In zijn tienerjaren ging Niels gebukt onder de perfectie waar zijn ouders in alles naar streefden: ze werden kwaad als hij zevens haalde op school en ze klaagden nog meer over zijn gedrag, zijn afwezigheid bij familieaangelegenheden en hoe hij zich kleedde.

Niels had de hoop opgegeven dat hij ooit nog zelf iets mocht beslissen en ging als een zombie door het leven. Hij meed contact met zijn ouders zoveel mogelijk en ging braaf geneeskunde studeren, op dezelfde universiteit waar zijn ouders hadden gezeten. Zolang hij deed wat zijn ouders van hem verlangden, lieten ze hem met rust.

Er veranderde pas iets, toen hij op twintigjarige leeftijd zat te blokken voor een tentamenweek en hij tussendoor zijn mail checkte op zijn laptop. Zijn oog viel op een mailtje over een filmavond die op de campus werd georganiseerd. Gezien het bijna Halloween was, stond de avond in het teken van ouderwetse horrorfilms. Bezoekers dienden verkleed te komen en de avond begon met een vertoning van The Mummy uit 1932.

Niels besloot om naar de filmavond te gaan, hij had wel zin in een avondje nostalgie, maar de avond verliep anders dan hij had gehoopt. Nog geen tien minuten nadat de film was begonnen, zat hij te huilen, omringd door verbaasde medestudenten.

Het was tragisch en tegelijkertijd grappig om te zien: een volwassen kerel, verkleed als een klassieke avonturier, die luid zat te huilen terwijl op het projectiescherm een stel acteurs, mensen die allang dood waren, over een sarcofaag heen gebogen stond.

Het weerzien van de film had iets wakker gemaakt in Niels. Iets dat zich jaren stil had gehouden, maar het zat was om te zwijgen. Dus liet het Niels dingen zien en voelen. De angst en verwondering bij het zien van The Mummy als kind. De blijdschap die hij had gevoeld toen hij zijn achtertuin aan het omspitten was, op zoek naar schatten en mummies. En de woede die door zijn lijf raasde toen zijn ouders zijn droom om archeoloog te worden vernietigden. Het kwam allemaal terug naar boven borrelen en overrompelde hem.

Een tweede gebeurtenis die alles veranderde voor Niels, vond nog geen week later plaats. Toen kwamen zijn ouders tijdens een verkeersongeluk om het leven, terwijl ze onderweg waren naar hun vakantiehuis in Zuid-Frankrijk. Iets wat regelmatig voorkwam bij mensen die bulkten van het geld en zich niet hielden aan de snelheidslimiet.

Het eerste wat Niels deed nadat hij het nieuws had gehoord, was zich uitschrijven bij de universiteit waar hij studeerde, met een brede grijns op zijn gezicht. Een impulsieve actie die niets voor hem was, maar zodra de gedachte bij hem was opgekomen, was er geen houden meer aan. Nadat hij zich had uitgeschreven, voelde het alsof er een loden last van zijn schouders was gevallen.

De begrafenis van zijn ouders was statig en saai. Allerlei hoge heren en dames hielden speeches over hoe geweldig Arthur en Heleen waren geweest en hoeveel ze wel niet hadden betekend voor de medische wereld. Niels zelf sprak niet. Dat had hij geweigerd, tot grote onvrede van zijn ooms en tantes, types die nog een graadje erger waren dan zijn ouders. Het zou de stemming wel wat hebben opgeleukt, want de gasten zouden waarschijnlijk geschokt zijn geweest door wat Niels te vertellen had over die meneer en mevrouw die zoveel hadden betekend voor iedereen.

De erfenis werd op plechtige wijze afgehandeld bij een notaris. De ooms en tantes van Niels waren zichtbaar teleurgesteld over wat ze toebedeeld kregen, maar Niels zelf niet. Het altijd naleven van wat zijn ouders eisten, wierp nu eindelijk zijn vruchten af. Zodra alles was ondertekend en Niels het document in handen had met betrekking tot zijn deel, het huis van zijn ouders en een aanzienlijk geldbedrag, stond Niels op en liep hij op de andere lijkenpikkers af.

‘Kijk,’ zei hij en zwaaide het document voor hun ogen. ‘Mijn ouders hadden het bij het verkeerde eind. Dode dingen zijn wel degelijk waardevol.’

Na die mededeling vertrok hij en sprak nooit meer met zijn familie.

Het geld dat hij had geërfd, gebruikte Niels om te worden wat hij altijd al had willen zijn: archeoloog. En met succes, want hij was na zijn studie gelijk betrokken bij een aantal belangrijke vondsten in het buitenland en kreeg snel veel aanzien. Alles leek eindelijk de goede kant op te gaan voor Niels Fass.

De wereld veranderde echter toen Niels veertig werd. Vreemde natuurverschijnselen staken steeds vaker de kop op. Eerst waren het vage berichten die sporadisch opdoken uit verre landen, maar de verschijnselen bereikten al snel Europa. Nederland werd zwaar getroffen toen een deel van een winkelcentrum plotseling verdween in een enorm zinkgat, met honderden doden als gevolg.

Ondanks de gruwelijke aard van de verschijnselen, was het voor archeologen een opwindende periode. Overal ter wereld werden er bijzondere ontdekkingen gedaan. Sporen van onbekende beschavingen waren bloot komen te liggen en dat betekende veel werk. Het leverde ook meer vragen op over de wereld, die anders in elkaar bleek te zitten dan tot dusver werd gedacht.

Een voordeel was dat Niels niet meer ver hoefde te reizen voor zijn werk. Hij was de eigenaar geworden van een grote loods in het zuiden van Nederland, die hij als werkplaats en woning gebruikte. De loods was een jaar na de ramp met het zinkgat gevuld met spullen die gevonden waren op de rampplek, in alle soorten en maten. Het analyseren van die voorwerpen nam al zijn tijd in beslag.

Het was doordeweeks nog steeds een komen en gaan van mensen die spullen kwamen aanbieden en dachten dat ze goud in handen hadden. De meeste objecten werden gebracht door amateurs die op eigen houtje waren afgedaald in de aarde. Gevaarlijk werk, waarbij regelmatig mensen spoorloos verdwenen. Het nadeel voor die waaghalzen, was dat er veel soortgelijke vondsten werden gedaan en dat drukte de waarde. Bovendien was een groot deel van de objecten vreemd genoeg niet oud. Een conclusie die wereldwijd werd gedeeld door collega’s van Niels, die op andere ramplocaties aan het werk waren.

Op een dinsdagmiddag, aan het eind van de laatste herfst voordat de huidige wereld verging, stopte er een oude vrachtwagen voor de loods van Niels. Achter het stuur zat Frans, een vaste leverancier van spullen en een beer van een vent, die onder de tatoeages zat.

Niels had die dag eigenlijk geen zin om iets te kopen, maar uit beleefdheid maakte hij een praatje met Frans en liep mee naar de laadruimte van de vrachtwagen, om te zien wat Frans had meegenomen. In de laadruimte lag slechts één object, stevig vastgezet met spanbanden: een grote, houten kist die gemaakt was van dikke planken. Het ding was twee meter lang, een meter breed en een meter hoog. In alle zijden van de kist waren vreemde tekens gegraveerd.

‘Ziet er niet oud uit,’ zei Niels terwijl hij naar de kist keek. ‘Of bijzonder.’

‘Ik heb hem toch echt op een diepte van tweehonderd meter gevonden,’ zei Frans. ‘Dat lijkt me bijzonder genoeg.’

Niels klom de laadruimte in en begon om de kist heen te lopen.

‘Wat zit erin?’ vroeg hij.

‘Ik heb geen idee,’ zei Frans. ‘Hij is zo uit de grond gekomen. Ik heb geprobeerd om hem open te krijgen, maar hij zit potdicht.’

Niels liep nog een rondje om de kist en keek toen naar Frans.

‘Voor vijftig euro mag je hem hier laten staan,’ zei hij.

‘Vijftig maar?’ vroeg Frans.

Niels klopte op de kist.

‘Dit ding is niet oud genoeg om echt veel waarde te hebben,’ zei hij. ‘Bovendien weet ik niet wat de inhoud is. Het kan ook een kist vol rommel zijn.’

‘Maar er staan allemaal gekke tekens op…’

‘Iedereen kan gekke tekens in hout graveren. Als vijftig euro niet genoeg is, dan moet je maar op zoek gaan naar een andere koper.’

‘Ik ben al zo’n beetje overal geweest,’ zei Frans. ‘Niemand heeft interesse, omdat ze al genoeg spullen hebben. En die gasten uit Leiden zeiden hetzelfde: dat het er te nieuw uitziet.’

Frans tikte met zijn vingers tegen de achterkant van zijn vrachtwagen en zuchtte diep.

‘Vijftig is akkoord,’ zei hij.

Nadat Frans was vertrokken, had Niels de kist met een heftruck weggezet in het opslaggedeelte van de loods en er een tijdje niet meer naar omgekeken. Hij had het druk met andere zaken en de laatste tijd had Niels iets te vaak spullen gekocht die meer van hetzelfde bleken te zijn.

De nieuwsgierigheid sloeg na een maand pas toe bij Niels. Toen haalde hij de kist uit de opslag tevoorschijn en waagde zich aan meerdere pogingen om het ding open te krijgen. Bij de eerste poging gebruikte hij een koevoet. Het lukte hem om de koevoet een paar millimeter tussen de deksel en de rand van de kist te krijgen, maar hij kreeg er geen beweging in. Poging twee bestond uit het gebruiken van een andere koevoet, wederom zonder succes. De derde en laatste poging slaagde wel: met een draagbare cirkelzaag had Niels de deksel kapot gezaagd. Het ging met veel moeite en het zaagblad van de cirkelzaag was na afloop onbruikbaar geworden.

Nadat hij de resten van de deksel had verwijderd, leunde Niels met zijn handen op de rand van de kist en liet zijn hoofd hangen.

‘Godver,’ zei hij en schudde zijn hoofd.

De kist leek tot de nok toe gevuld te zijn met niets anders dan zand en as. Er kwam een zurige lucht vanaf, die moeilijk viel te plaatsen.

Niels ging met een hand door het zand, dat koel aanvoelde. Hij moest denken aan de klassieke Dracula films, die hij niet lang na het zien van The Mummy allemaal had gekeken. In veel van die films, en ook volgens mythes uit Oost-Europa, konden wezens als de vampier alleen rusten in aarde die afkomstig was van hun eigen graf. En in deze kist paste met gemak een lichaam. Terwijl hij dat besefte, trok Niels zijn hand instinctief uit het zand. Hij geloofde niet in monsters, maar hij had geen zin om verrast te worden.

‘Misschien zit er een scherp object in,’ zei een stem in zijn hoofd, die zijn eerste gedachte, dat er misschien iets levends in de kist verstopt zat, verdrong. ‘Niet iets met scherpe tanden, schijterd.’

Hij haalde een kruiwagen en een schep uit een gereedschapshok en begon voorzichtig de mix van zand en as uit de kist te scheppen, in de hoop nog iets waardevols te ontdekken.

De kist was nog niet ver leeg, toen Niels plotseling tegen iets aankwam. Hij legde de schep op de grond en begon met zijn handen verder te graven. Hij voelde de contouren van iets ruws en probeerde het omhoog te tillen.

Wat hij een moment later uit de kist haalde, leek op het eerste gezicht op een enorme, dode vleermuis die onder de as zat. Het lichaam was omwikkeld met ijzeren kettingen en een dichte muilkorf bedekte een groot deel van de kop, met slechts twee smalle sleuven aan de voorkant, voor zuurstof. Iets wat overbodig leek als je het dier vervolgens in een kist vol met zand en as begroef. Het lichaam was verder vrij lang, anderhalve meter van kop tot staart, en het had een zwarte kleur met grijze accenten.

Niels legde het dier op een grote werktafel en richtte er een paar lampen op, zodat hij het van alle kanten goed kon bekijken. Er waren gelijk een paar dingen die Niels niet bevielen. Om te beginnen de staat van het lichaam: het was nog intact en leek niet in een staat van ontbinding te zijn. Ten tweede de staart, iets wat vleermuizen niet hadden, voor zover Niels wist. En dan waren er nog de ijzeren kettingen en de muilkorf. Een subtiele hint dat het beest waarschijnlijk gevaarlijk was. Of tegen zijn zin in werd vervoerd.

Er was geen bewijs dat het dier nog leefde, iets waar Niels aanvankelijk nog over twijfelde. Hij had geprobeerd om iets van een hartslag te vinden, wat niet lukte. Hij voelde ook geen ademhaling uit de muilkorf komen en zag ook geen beweging in de buik of borstkas. Niels had het dier, als laatste test, met zijn schep in de zij gepord en vervolgens een paar keer op de rug gemept. Een reactie bleef uit.

De volgende stap was het verwijderen van de muilkorf en de kettingen, zodat hij kon zien waar hij mee te maken had. Daarvoor moest hij met een slijptol te werk gaan, gezien er ijzeren sloten op zowel de muilkorf als de kettingen zaten. De vonken die de slijptol veroorzaakte, raakten het dier terwijl Niels bezig was en even dacht hij dat er nu wel iets zou gebeuren, maar wederom bleef een reactie uit. Het beest was echt dood.

De kettingen gingen er als eerste af en Niels legde de vleugels daarna uitgespreid neer. Iets wat gemakkelijk ging. Niet stroef, zoals hij had verwacht. Het dier bleek een spanwijdte te hebben van ruim twee meter.

De mogelijke naam van de diersoort die momenteel op zijn werktafel lag, was al een paar keer door zijn hoofd geschoten, maar Niels vond het moeilijk om het echt te geloven en hardop uit te spreken. Daarom aarzelde hij met het verwijderen van de muilkorf die bijna de complete kop bedekte. Als zijn vermoeden klopte, dan was dit de belangrijkste ontdekking van de eeuw. Misschien wel van de laatste eeuwen. Hij haalde diep adem en verwijderde toen de muilkorf.

Wat kwam bloot te liggen, had hij al verwacht, maar toch hield hij even op met ademen toen hij het zag. Het was geen grote vleermuiskop die tevoorschijn was gekomen, maar een reptielachtige kop met schubben en kleine hoorns. De kop van een jonge draak.

‘Het is er verdomme echt eentje,’ zei Niels.

Hij pakte er een stoel bij en deed de rest van de dag niets anders dan staren naar de draak, die op de werktafel lag met uitgespreide vleugels. Hij onderbrak zijn staarsessie voor het koken van zijn avondeten, maar de maaltijd zelf werd ook bij de draak opgegeten.

Rond de tijd dat hij naar bed ging, twijfelde Niels over wat hij moest doen met zijn nieuwe vondst. Hij zag de kettingen op de grond liggen en hakte op dat moment een knoop door. Hij liep naar de werktafel, raapte de kettingen op en begon ze weer stevig om het beest te draaien.

Niels voelde zich in eerste instantie dom, hij was een dood dier aan het vastmaken, maar hij had genoeg films gezien waarin mensen nog dommere dingen deden, zoals het onbewaakt achterlaten van opgegraven monsters, die vervolgens ’s nachts aan de wandel gingen. Dus zorgde hij ervoor dat de draak geen kant op kon, mocht hij toch niet zo dood zijn als hij leek.

De nacht die volgde verliep onrustig. Niels deed geen oog dicht en bij ieder vreemd geluid sprong hij overeind in bed. Hij was er vijf keer uit geweest om er zeker van te zijn dat de draak nog steeds dood was. Iets wat alle vijf de keren het geval was.

Met donkere kringen onder zijn ogen was Niels de volgende ochtend zijn ontbijt aan het maken: eieren met spek, koffie en een glas vers geperste jus d’orange. Het ontbijt werd net als het avondeten aan de werktafel bij de draak genuttigd.

‘Zo,’ zei Niels nadat hij klaar was en zijn mond afveegde, ‘en dan gaan we nu eens kijken hoe jij in elkaar zit.’

Op dat moment schoof het ooglid van de draak omhoog aan de kant waar Niels zat. Een doorzichtig membraan werd zichtbaar dat voor het oog zat, zoals bij een krokodil, en ook dat schoof weg. Een amberkleurig oog kwam bloot te liggen, dat Niels recht aankeek.

Niels vloog overeind en vloekte. Hij pakte zijn mes en vork van tafel en hield ze als wapens omhoog. Iets dat er vrij kansloos uitzag, maar het was beter dan niets.

De draak blies een warme stroom lucht uit door zijn neusgaten en kwam tot leven. Hij maakte kreunende geluiden en gromde toen hij merkte dat hij zat vastgebonden. Hij begon te draaien en rolde van de werktafel af. Hij smakte op de grond, waarbij hij ongelukkig terechtkwam. Niels hoorde scherpe geluiden, klinkend als brekende takken, en vervolgens begon het dier jammerende geluiden te maken.

Niels liep om de tafel heen en zag dat de draak zijn linker achterpoot en vleugel had gebroken tijdens de val.

‘Dat was geen slimme actie, kerel,’ zei Niels tegen het dier.

Hij pakte het beest op en probeerde uit de buurt van zijn kop te blijven, voor het geval hij een bijtertje bleek te zijn. De draak verzette zich echter niet en bleef alleen jammerende geluiden maken.

Niels legde het dier weer op de werktafel en plaatste een paar zware stukken gereedschap op de randen van de tafel, zodat hij niet meer van tafel kon rollen. Iets wat niet nodig was, want de draak hield zich kalm. Zijn gebroken ledematen deden pijn en zijn ogen hielden Niels angstig in de gaten.

Niels ging voor de draak staan en keek hem ernstig aan.

‘Ik ben geen dokter,’ zei hij, ‘maar ik ga kijken wat ik voor je kan doen. Dat betekent dat ik je moet losmaken. Dus geen rare fratsen uithalen, want anders doe ik dat ook. Begrepen?’

Toen deed de draak iets wat Niels niet had verwacht: hij knikte.

Niels bleef verbaasd staan en boog zich langzaam richting de draak.

‘Kun je me verstaan?’ vroeg hij, zich volledig bewust dat hij tegen een dier sprak.

De draak aarzelde en knikte toen opnieuw.

Niels grinnikte, verrast door deze ontdekking, maar hij was nog niet helemaal overtuigd: het kon ook een willekeurige beweging zijn die het dier maakte.

‘Als je me echt kunt verstaan,’ zei hij, ‘knipper dan drie keer met je ogen.’

De draak hief zijn kop van tafel, keek Niels aan en knipperde met zijn ogen: drie keer.

De dagen die volgden, gingen als in een roes aan Niels voorbij. Hij had zijn loods gesloten voor de buitenwereld en reageerde niet meer op telefoontjes en mailtjes van mensen die iets aan te bieden hadden. Zijn volledige aandacht ging uit naar de jonge draak. Het was hem gelukt om de gebroken ledematen van het dier provisorisch te spalken en hij had hem flink wat te eten gegeven, waarmee hij zijn vertrouwen had gewonnen. Niels had afbeeldingen laten zien van voedsel en de draak had aangegeven dat hij vlees wilde. En veel ook. De draak was vrij lam en onverschillig na iedere maaltijd, maar tussendoor was hij een behulpzaam studieobject en begon steeds meer op een huisdier te lijken.

Niels had besloten om de draak nog even geheim te houden voor de buitenwereld. Als hij nog wat meer te weten kon komen over de draak, bijvoorbeeld over zijn vermogen om zijn lichaam uit te schakelen in een soort winterslaap, zou dat de uiteindelijke presentatie ten goede komen. Wachten op het juiste moment om een vondst aan de wereld te presenteren was altijd van cruciaal belang. Dat wist Niels als geen ander.

Het probleem met het wachten op het juiste moment, was dat het helaas een risicovolle bezigheid was. Je wist vaak niet wanneer dat ene perfecte moment was aangebroken. Soms was je te vroeg met handelen, of juist te laat, waardoor de kans om indruk te maken aan je neus voorbijging.

Niels Fass wachtte uiteindelijk net iets te lang met het wereldkundig maken van zijn ontdekking, want er brak niet veel later een dag aan, die ervoor zorgde dat zijn vondst niet meer uniek was. Een dag waarop de mensheid ontdekte dat de wereld niet meer van hen was. En dat eigenlijk ook nooit echt was geweest.

 

© Jan van Gorkum (2017)