De ontleding van hoofdstuk 8

‘De ontleding van…’ is een blogreeks over de totstandkoming van Gevleugelde Duisternis, voor de geïnteresseerde lezer. In deze reeks bespreek ik een aantal van mijn favoriete hoofdstukken. Een kijkje in de keuken van de schrijver dus. Dit keer staat hoofdstuk 8 in de schijnwerper, getiteld Het Huis van de Adalgar.

SPOILER-WAARSCHUWING: Deze blogpost bevat spoilers. Lees dus niet verder als je van plan bent om het boek nog te gaan lezen. (Bestellen kan overigens HIER.) Heb je het boek wel gelezen en ben je benieuwd naar de totstandkoming? Scroll dan verder omlaag en lees verder.

EEN GEZELLIGE FAMILIE

Ik vond het geweldig om een boek te schrijven over een groep excentrieke personages op een missie. Een groep met personages die hun hart op de juiste plek hebben – maar zeker niet perfect zijn – en waarbij je hoopt dat ze hun doel bereiken en een beter leven krijgen.

Toch is het soms nog nét iets leuker om de tegenwerkende krachten op papier te zetten. In het geval van Gevleugelde Duisternis een complete familie: de Adalgars. Antagonisten waar je als lezer aardig wat tijd mee doorbrengt en die je goed leert kennen. Antagonisten zijn in mijn ogen ook net zo belangrijk als de protagonisten in een verhaal. Ik vind het altijd vreselijk als een antagonist alleen maar op komt draven om een obstakel te vormen en verder niets te doen heeft of niet wordt uitgediept.

Raga Adalgar – de belangrijkste antagonist – wordt al iets eerder in het boek voorgesteld, maar de introductie van de familie en hun kasteel vindt plaats in het hoofdstuk Het Huis van de Adalgar. En dat gebeurt op een vrij ongebruikelijke manier. Ik denk dat ik daarom het hoofdstuk zo leuk vind. Het introduceert de Adalgars zonder veel spektakel, net als Yorick Novak eerder in het boek. Een moment waarop we Ragnar, het hoofd van de familie, wat verveeld aantreffen in zijn oude kasteel. Het is gelijk duidelijk dat de Adalgars hun hoogtijdagen al ver achter zich hebben.

Iets wat ogenschijnlijk als zwakte overkomt, maar wat de Adalgars in werkelijkheid vooral gevaarlijk maakt. Ze zijn tot alles in staat om wat er nog over is van hun macht te verdedigen en te vergroten. Ragnar belichaamt dat ook: hij oogt oud en zwak, maar is gevaarlijker dan ooit. De angstige Zaalwachters hebben zodoende alle reden om doodsbang te zijn voor de heer des huizes. Net als veel andere personages is Ragnar niet iemand die je op basis van zijn uiterlijk moet beoordelen. (Daar heb je dat motief weer: niets is wat het lijkt.)

VERVAL

Het Huis van de Adalgar – waaraan het hoofdstuk zijn titel ontleent – is een kasteel dat de gemoedstoestand van de bewoners weerspiegelt. Ooit was het een koninklijk kasteel vol pracht en praal, maar daar is nog maar bar weinig van overgebleven. Het is in een vergevorderde staat van verval, net als de familie Adalgar zelf. Ragnar is een oude en ziekelijk ogende heerser, Rubah een zwaarlijvige Drahgûl in een rolstoel en ook Raga wordt verbrand afgeleverd door een tot dan toe nog onbekende draak, die later Pellon blijkt te zijn.

De naam Adalgar is overigens een zelfverzonnen naam die voor mij een soort verbasterde (lees: vervallen) versie vormt van het woord adel. Gecombineerd met ‘gar’ klinkt de naam lelijk en agressief als je hem uitspreekt. De naam had ook kunnen eindigen op gal, maar dat was too much geweest. Adalgar bekt ook net iets lekkerder.

MACHIAVELLI

Dat sommige boeken in de verkeerde handen gevaarlijk kunnen zijn, is ook een motief dat in Gevleugelde Duisternis langskomt. Niet in de laatste plaats vanwege het gelijknamige boek waar iedereen achteraan zit.

Een bestaand boek dat ook niet bepaald onschuldig is, maakt ook zijn entree in Het Huis van de Adalgar: Il Principe (De Heerser) van Niccolò Machiavelli. Een boek dat ik ooit in 2005 bij een filosofieles voor een kunstopleiding heb gelezen. Het vertelt in geuren en kleuren hoe de ideale heerser zich moet gedragen en heeft een soort onderdanige toon die grenst aan satire; Machiavelli benadrukt in het boek regelmatig dat zijn adviezen en woorden vast te min zijn voor de wijze heerser aan wie hij zich richt.

Sinds de 19e en 20e eeuw wordt er door sommige filosofen ook gedacht dat het boek een satire is. Een boek dat niet bedoeld is om advies te geven aan heersers in spe, maar om de lezer te waarschuwen voor de sluwheid van heersers die tot alles in staat zijn om macht te verwerven en te behouden.

Het merendeel van de filosofen denkt echter dat het een oprecht bedoeld werk is. Niet vreemd dus dat het boek al eeuwen populair is bij bijvoorbeeld dictators en op macht beluste zakenlui, die de adviezen uit het boek in de praktijk toepassen.

Ik vond het voor Ragnar een mooie en excentrieke introductie, dat hij al mopperend Il Principe zit te lezen op zijn troon. Hoe vreemd en humoristisch het ook lijkt dat hij het boek leest om wijzer te worden, het gebeurt in de echte wereld maar al te vaak. Van grote tot kleine heersers die succesvoller willen regeren. Er zijn zelfs supermarktmanagers die het gebruiken.

DYNAMIEK

De dynamiek die in de familie Adalgar zit, wilde ik ook rechtdoorzee introduceren. De verhoudingen zijn traditioneel en in de hoge rangen is duidelijk geen plek voor buitenstaanders. Ragnar staat aan het hoofd, Rubah is de gevallen krijger die zijn vaders adviseur is geworden en Raga is de gedoodverfde troonopvolger. De Engelen komen later pas letterlijk het verhaal binnengelopen, maar ook hun rol is glashelder: dankzij hun kracht en vindingrijkheid wordt dit trio vaak ingezet om het vuile werk op te knappen en als aanvoerders sturen ze de troepen met harde hand aan.

Ondanks dat de Adalgars niet veel ophebben met de rest van hun familie, vormt het gezin van Ragnar al eeuwen een eenheid. Alleen Nora, de vrouw van Ragnar, is een ontbrekende schakel geworden. Natuurlijk kan niet iedereen even goed met elkaar door een deur, maar ze steunen elkaar wel en werken al eeuwen samen. Een deel van hun kracht komt voort uit deze eenheid.

Het blijven natuurlijk antagonisten met weinig goede intenties, maar het feit dat ze op hun eigen manier om elkaar geven, maakt ze in mijn optiek nog ergens sympathiek én interessant om te volgen in hun doen en laten.

DE AFGROND

Aan het eind van het hoofdstuk zijn er twee gebeurtenissen die een voorbode zijn voor wat de familie Adalgar uiteindelijk te wachten staat. De eerste gebeurtenis is Rubah die uit zijn rolstoel valt, zichzelf niet kan opvangen en daardoor lelijk op zijn gezicht belandt. De tweede gebeurtenis is Raga die bijna valt terwijl hij naar de troon strompelt. Zijn vader weet hem net op tijd vast te grijpen en weet zo een lelijke val te voorkomen. Zonder Ragnars hulp zou Raga net als zijn broer zeer ongelukkig terecht zijn gekomen.

Ook in de hoofdstukken die later volgen merk je als lezer dat valpartijen en gooi-en-smijtwerk vaak gebeuren bij de Adalgars. Van een complete stad tot lastige familieleden; er verdwijnen behoorlijk wat levende wezens in de afgrond bij Valohrak.

De momenten bij de afgrond of referenties daaraan ontstonden tijdens het schrijven als een soort van ‘running gag’. Het leek me grappig als er steeds iemand in de afgrond viel of eruit verscheen. Toch kreeg die afgrond een diepere betekenis gaandeweg het schrijven en wordt Nietzsche nog even niet zo subtiel aangehaald door Raga, wanneer hij zijn vader vergezelt bij de afgrond in een ander hoofdstuk. ‘Hij kijkt ook in jou,’ zegt Raga als hij zijn vader in de afgrond ziet staren. Ik weet dat Nietzsche tot in den treure wordt aangehaald in films en boeken door personages die aan de rand van een afgrond staan, maar ik kon het niet laten. Met een knipoog uiteraard.

Wat betreft afgronden zijn de Adalgars ook tragisch te noemen. Ooit begonnen ze als ordehandhavers en veranderden door de eeuwen heen in datgene waar ze tegen vochten. Monsters. Met andere woorden: ze hebben iets te lang in de afgrond gestaard. En ze hebben het niet in de gaten gehad dat ze in die afgrond gedonderd zijn, hun ondergang tegemoet vallend.

Een bijzonder vrolijke noot om deze tweede editie van ‘De ontleding van…’ mee af te sluiten. Welk hoofdstuk in editie drie wordt besproken? Dat hou ik voor de verandering nog even geheim.

Jan